share

Hadassah Emmerich

 

° Heerlen, Nederland 1974

leeft en werkt in Berlijn — Duitsland en Heerlen — Nederland

 

Hadassah Emmerich nam deel aan Coup de Ville 2013. Deze tekst verscheen in de catalogus.

 

Haar oeuvre bestaat voornamelijk uit tekeningen (houtskool of inkt), grafiek (houtsneden) en schilderijen die, al naar de gelegenheid zich voordoet, uitdienen tot gigantische muurschilderingen. Bloemen, planten, vruchten – in groei, bloei of verval – en de representatie van de vrouw zijn steeds terugkerende thema’s. Hoewel haar werk decoratieve invalshoeken kent – met kleurrijke, lineaire woekeringen die het horror vacui bedwingen – vormt dit een betekenisgevende component in haar iconografie. Ze wil er alleszins niet oppervlakkig mee behagen. In de breedsporige of fijnmazige patronen zitten vaak onthullende details, woorden en zinnen verborgen. Door haar multiculturele achtergrond, die zowel Aziatisch als Europees is, oriënteren haar onderwerpen zich rond de culturele identiteit en de menselijke psyche. Het innerlijke omschrijft de kunstenares als eclectisch en liquide, met een spanning tussen wat universeel geldend is en datgene wat particulier, niet-vertaalbaar en onvervreemdbaar is.

 

In Coup de Ville gaat ze in dialoog met de artistieke en existentiële zoektocht van wijlen Jan Buytaert, de kunstenaar in wiens huis ze een nieuwe serie van werken op papier en een cirkelvormig canvas creëert, dat als plafondschildering gepresenteerd wordt. Ze concentreert zich in deze cyclus vooral op de opeenhoping van beeldlagen waarin ze, met een archeologische werkwijze, de onderliggende structuren terug vrijgeeft: “Door verschillende lagen te laten overlappen en weer (gedeeltelijk) weg te krassen, tracht ik ‘het ware zelf’ bloot te leggen. Waar precies bevindt zich ‘het ware zelf’? Bestaat dit überhaupt? Identiteit is vloeibaar, en de werken tonen dit door de verschillende manieren waarop figuur en omgeving zich tot elkaar verhouden, en door de verschillende rollen waarin we ons kunnen bevinden”, licht de kunstenares toe. Waarbij ze zich vervolgens afvraagt: “Wat is masker en wat de ware identiteit? Zo wordt een exotisch uitziende vrouw zichtbaar doorheen een overwoekering aan planten. Het is niet duidelijk welke beeldlaag voor- of achtergrond is. Wil ze verschijnen of net verdwijnen? En welke ‘blik’ voert de boventoon? Is de vrouw een ‘trofee’ of is ze zich bewust van haar erotische kracht en zet ze deze energie in voor zichzelf?”